One day in the life of a Dutch POW in Makassar

As remembered by luitenant ter zee 2e klasse Willy Haye and told to Jesse Haye

1942

   

   Op een gegeven moment in de ochtend op die bepaalde datum in december, kwam een van de officieren kloppen op de badkamer: “Wil, Wil, de oorlog is begonnen.” Nou ja, dat was verschrikkelijk. Ik wil het daar verder niet over hebben, maar …

   Ik ben in krijgsgevangenschap oftewel in een concentratiekamp geweest. Ik heb heel beroerde momenten meegemaakt. Een van die momenten was:

   Ik was die avond zaalofficier. Dat hield in dat je ’s avonds met een Japanse onderofficier de ronde moest doen en als er iets niet in orde was, nou ja, dan werd je doodgeslagen bij wijze van spreken. Op die avond liep ik dus met hem door de barakken. Op een gegeven moment begon een kat te miauwen. Die Jap werd dol van kwaadheid. Hij begon wild te slaan, links en rechts. Men moest gaan zeggen van wie die kat was. Een paar mensen uit die barak moesten met mij in de houding gaan staan en wachten op de beul van het kamp. Dat was Yoshida. Die ranselde altijd. Het was negen uur ’s avonds. Ik wist waartoe die man in staat was. Hij had Frans Wintersberg flink te grazen gehad, kreupel geslagen. Zijn dijbeen was verbrijzeld. Ik stond daar dus te wachten met zeven andere mensen vanaf negen uur ’s avonds. Ik was heel bang. Ik kan niet zeggen dat ik niet bang was. De spanning steeg ten top. We wachtten al vanaf negen uur. Om twee uur ’s morgens kwam hij aanfietsen, Yoshida. Stomdronken. Toen hij ons zag gaf hij een verschrikkelijke schreeuw. Hij rende het wachtlokaal in en kwam tevoorschijn met een baseball bat. Hij rende op ons af, je zag aan zijn ogen dat hij crazy was. Hij schuimbekte. Hij ging voor mij staan. Hij haalde uit naar achteren en wou mij met één klap slaan. Bedenk, ik moest in de houding blijven staan. Ik dacht: als ik dit laat gebeuren ben ik dood, dan is mijn schedel verbrijzeld. Ik dacht: wat moet ik doen? Het bat kwam omhoog. Ik zag het dichterbij komen, maar gek genoeg ging het steeds langzamer naarmate het dichter bij mijn hoofd kwam. Het gekke is, het bat raakte mij wel aan tenslotte. Het raakte mijn pet wel even aan, maar de klap kwam niet. Het volgende moment leunde hij op zijn baseball bat en keek naar de grond. Toen zei hij iets in het Japans.

“Kan ik gaan?” vroeg ik. “Ja”, zei de Jap. “Hai”, zei hij.

“And what about the others?” vroeg ik. “Go, all of you.”

   Terug in mijn eigen barak moest ik dit allemaal vertellen aan de andere officieren, aan overste Nieuwenhuis en de anderen. Ze waren erg bezorgd geweest.

   "Ik heb in het kamp meerdere malen voor dit soort lelijke vuren gestaan. Steeds door het oog van de naald gegaan. Het is raar, maar het was altijd of de Jappen mij oversloegen."

 

 
 

HOME